Reële rente: ijkpunt om in het oog te houden
De korte, gebalde boodschap van de Fed op de eerste beleidsvergadering onder Kevin Warsh gaf de markt een duidelijke boodschap. De Amerikaanse economie is goed in vorm en dat vertaalt zich in meer dan voldoende tewerkstellingsgroei. De Fed kan alle aandacht geven aan het probleemkind binnen haar mandaat: structureel veel te hoge inflatie. Gisteren werden de prijsdeflatoren (voorkeur inflatiemaatstaf van de Fed) bekend gemaakt. De inflatie loopt steeds verder weg van de 2% doelstelling (algemeen: 4.1% van 3.8%, kern: 3.6% van 3.5%). Onder meer de versnellende diensteninflatie (3.8% van 3.5%) suggereert dat de stijging niet zozeer gevolg is van energieprijzen of invoertarieven maar gewoon van een te sterke vraag die botst op een te krap aanbod. Aangekondigde prijsverhogingen bij Apple en Microsoft om hogere prijzen en een beperkt aanbod van componenten op te vangen, wijzen in dezelfde richting. Toch viel de marktherpositionering van de voorbije dagen (hogere korte Amerikaanse-rentes en sterkere dollar) wat stil. Er is blijkbaar al een en ander verdisconteerd.
We pikken even in op een ander aspect van de recente marktreactie: de stijgende reële rente. Die trend is niet nieuw en ook zichtbaar in obligatiemarkten buiten de VS. Je bekomt de ‘reële rente’ door van de nominale rente de inflatiecomponent (terug te vinden in inflatie-gerelateerde obligaties of inflatieswaps) af te trekken. De lange termijn inflatiecomponent koelt wat door het interim-akkoord tussen de VS en Iran en door de daadkracht van centrale bankiers. De correctie in die inflatiecomponent vertaalt zich echter niet per definitie in een lagere nominale rente in geval van een stijging van de reële rente.
Trendbewegingen in de reële rente verlopen geleidelijk en zijn meestal uiting van fundamentele onderliggende ontwikkelingen. Zo heeft die opwaartse trend (binnen en buiten de VS) de voorbije jaren onmiskenbaar te maken met de afbouw van de obligatieportefeuille die centrale bankiers het vorige decennium en na de Covid-pandemie opkochten. Op sommige momenten (bv. vorig jaar) was de stijging van de reële rente in de VS ook uiting van een hogere risicopremie op Amerikaanse activa als gevolg van het chaotische Trump-beleid. Ook structureel hoger begrotingstekorten kunnen hier een rol spelen. De voorbije dagen kreeg de Amerikaanse reële rente een duwtje in de rug. Dat was minstens deels reactie op de aanpak van de nieuwe Fed-voorzitter Kevin Warsh. Door het anti-inflatie-engagement daalden de inflatieverwachtingen, maar de reële rente spurt nog even hoger. Interpretatie van een reële rentebeweging is altijd een moeilijk proces, maar nu heeft ze veel weg van een motie van herstellend vertrouwen zowel in de kracht van de Amerikaanse economie als in (de onafhankelijkheid van) het Fed-beleid. De gelijktijdige breuk hoger in de dollar ondersteunt die analyse.
Een hogere reële (~ risicovrije) rente in het land dat toch nog steeds als wereldwijd monetair ijkpunt fungeert, kan gevolgen hebben voor de globale marktdynamiek. Zo maakt dit soort stijging van de dollar het dikwijls moeilijker voor kleinere, minder liquide munten of munten van landen met een minder strak monetair beleid (relatief lage reële rente, bv. Japan). Een hoge (risicovrije) reële rente legt ook een hogere lat voor de evaluatie van andere activa. Zo wordt bijvoorbeeld de alternatieve kost voor het aanhouden van renteloze activa zoals grondstoffen (inclusief goud) hoger. Iets om op te volgen, die reële rente.
Nominale 10-j VS rente (geel) uitgesplitst naar inflatieverwachtingen (rood) en reële rente (groen).