Sterke payrolls verschuiven focus naar inflatie
Er is een nieuwe deadline in het conflict in het Midden-Oosten. Iran heeft vandaag tot 20u Amerikaanse tijd - 2u onze - om met de Verenigde Staten een akkoord te sluiten. Zo niet, dan regent het bommen op Iraanse (energie)infrastructuur. Alle voorstellen zonder “vrij verkeer van olie” (lees: de opening van de Straat van Hormuz) botsen sowieso op een “njet” van president Trump. Is Iran bereid om die cruciale hefboom op te offeren, laat staan zonder expliciete garanties van een definitief einde (en niet alleen een tijdelijk staakt-het-vuren)? De vraag stellen is ze beantwoorden, vrezen we.
De deadlines van Trump zijn, laat ons zeggen, fluïde. Van aanvankelijk 48u ging het naar vijf dagen die voor het verstrijken ervan opschoven naar tien, tot 6 april. Uiteindelijk valt “Power Plant & Bridge Day” op 7 april. Die immer verschuivende geopolitieke tijdslijn en de gevolgen van de regionale oorlog leiden al enige tijd de aandacht weg van de economische agenda. Nochtans had die het afgelopen lange paasweekend meer dan genoeg te bieden. Vrijdag stond in het teken van het Amerikaanse arbeidsmarktrapport voor maart. De tewerkstellingsgroei van 178k overtrof de stoutste verwachtingen. De staking in de gezondheidssector die in februari nog mee de krimp met 133k veroorzaakte, liet nu sporen na door het einde ervan. Maar de tewerkstelling was veel breder gedragen dan dat. Het aantal sectoren dat personeel aanwierf was het meest in meer dan twee jaar. De werkloosheidsgraad viel dan weer terug tot 4.3%. De groep die zich op de arbeidsmarkt begeeft werd wat kleiner: de participatiegraad van 61.9% is het minst sinds eind 2021. Die nauwelijks tot niet groeiende beroepsbevolking maakt de stevige tewerkstellingsgroei des te opmerkelijker.
Het biedt comfort aan sommige Fed-beleidsmakers die vrezen voor een ontsporende arbeidsmarkt. Dat blijkt tot nader bericht niet het geval. De tweede pijler van het Fed-mandaat, prijsstabiliteit, vergt op korte termijn mogelijks meer de aandacht. De Amerikaanse centrale bank mist al sinds 2021 systematisch de 2%-inflatiedoelstelling. Zoals haar Europese tegenhanger, waakt de Fed er nu over dat de huidige energieschok zich niet vertaalt in nog verder oplopende inflatieverwachtingen. Het zou een motie van wantrouwen ten aanzien van de monetaire (wereld)autoriteit zijn. Het risico is nochtans zeer reëel. In de ISM-bedrijfsenquête (het Amerikaans equivalent van de PMI’s) lopen de prijsindicatoren op naar de hoogste niveaus sinds 2022. In de maakindustrie is de gecumuleerde toename van de afgelopen twee maand het meest in bijna tien jaar. De dienstensector liet in maart dan weer de grootste maandstijging in 13 jaar optekenen. Het margeabsorptievermogen van bedrijven staat hiermee al onmiddellijk onder druk. De volgende stap zijn hogere prijzen voor de eindconsument. Dan is het niet de vraag “of” maar “wanneer” zich dat uit in de officiële inflatiemaatstaven, zoals de CPI voor maart van aanstaande vrijdag. De hand van de olieprijs, momenteel $110 per vat, zal al zichtbaar zijn in de overkoepelende reeks. De verwachte 3.4% op jaarbasis is een tweejarige top. Het volle effect op de graadmeter die zuivert voor energie en voeding komt met vertraging. Toch klimt deze zogenaamde kerninflatie naar verwachting nu al van 2.5% naar 2.7%.
Sterke stijging van de olieprijs zal eerste sporen nalaten op Amerikaanse inflatiecijfers