Wanneer olietekorten fysiek worden
Al bijna drie maanden raakt amper olie door de Straat van Hormuz. De tactiek van “Don Zu” – breek een vijandelijke blokkade door de blokkade te blokkeren – werkt maar ontneemt de wereld van zo’n 20 miljoen vaten olie per dag, ofwel 20-25% van de globale vraag. Een deel vindt uiteindelijk toch de weg naar de markt via alternatieve routes, maar lang niet alles. Dat leidt tot een structureel aanbodtekort. Eerder deze week haalden we de topman van het Internationaal Energie-Agentschap al aan. Hij trekt aan de alarmbel. De commerciële olievoorraden slinken razendsnel en bereiken binnenkort niveaus die voor operationele moeilijkheden zorgen. Lees: productiestop. Wat initieel een energie-aanbodschok was, mondt zo uit in een veel bredere.
Vandaag valt ons oog op een artikel in de Financial Times dat put uit een blog eerder deze maand van Nick Butler, voormalige vice-president van de strategische afdeling van oliereus BP. Iemand die het reilen en zeilen van de oliemarkt kent. Van de fysieke oliemarkt, niet (alleen) de financiële. Dat is een groot verschil. De oliefuturesmarkt, waarin vandaag een prijs wordt vastgelegd voor (al dan niet fysieke) toekomstige leveringen, suggereert dat de prijs voor een vat ruwe Brent volgend jaar deze periode nog een dikke $80 dollar bedraagt. Dat betekent een crash van bijna 30% tegenover de prijs vandaag. Futures zijn niet per se verwachtingen omtrent de toekomstige olieprijs. Ze zijn in essentie een middel voor koper en verkoper om zich in te dekken aan een prijs die voor beiden op dat moment aanvaardbaar zijn. Veranderende omstandigheden, zeker in een omgeving waarin je die nauwelijks of niet ziet aankomen, creëren bokkesprongen in de curve.
Butler noemt die curve vandaag overoptimistisch. De enorme olievoorraad bij aanvang van de Irancrisis van naar schatting 400-500 miljoen vaten temperde de initiële klap. Dat wiegt ons in slaap, maakt ons blind voor de risico’s. De olieprijs steeg al flink door vanaf de $60-$70 pre-Iran niveaus. Dat zijn de financiële markten die anticiperen op een tekort. Maar wat gebeurt er wanneer “financiële” tekorten fysiek worden, als meerdere partijen op datzelfde gegeerde olievat bieden? Dan vervallen we in niet-lineaire prijsschokken.
Dit is ondertussen géén staartrisico meer. We schreven het al meermaals: tijd als katalysator. Hoe langer het conflict woedt, hoe dichter we bij dit omslagpunt komen. Startend bij de bron: productie. De Amerikaanse en Iraanse aanvallen verwoestten een substantieel deel van de infrastructuur. Reparaties duren minstens meerdere maanden en in sommige gevallen (Qatar) zelfs jaren. Er is ook niet iets als “de” olie. Dat komt in verschillende chemische samenstellingen die in evenveel verschillende raffinaderijen verwerkt moeten worden. Olie uit de VS of Noorwegen is niet per definitie geschikt voor de bestaande Europese infrastructuur. Behalve het verlies aan pure olie uit het Midden-Oosten is er dus ook het wegvallen van specifieke, ginds verwerkte producten. Denk aan vliegtuigbrandstof. Butler vervolgt met de vaststelling dat energie lang niet de enige getroffen sector is. Landbouw (kunstmeststoffen), tech (helium voor chipproductie) en transport (langere en dus duurdere routes) vullen het rijtje aan.
Butler laakt de manier waarop overheden de crisis aanpakken. Van zelfgenoegzaamheid (Het is maar tijdelijk) tot het groeiend besef van het probleem achter de schermen maar de tergend trage opbouw en uitrol van noodplannen. Gisteren pas (!) stelde de Europese Commissie plannen voor om de bevoorrading van voedselkritieke grondstoffen te verzekeren. Het uiterst aanbod-disruptieve Covid, gevolgd door Oekraïne, daarna de Amerikaanse handelsschok en de zich volop ontvouwende technologische wedloop die de EU aan de zijlijn aanschouwt. Het volstaat blijkbaar niet voor een wendbaarder blok.
Globaal aanbod van olie vs vraag (in miljoen vaten): grote fysieke tekorten dreigen