Brent rondt de kaap van $100 per vat
Het conflict in het Midden Oosten gaat zijn tweede week in. Prijsbewegingen op de financiële markten leggen grote zenuwachtigheid bloot. Energie is en blijft de eerste barometer. Een vat ruwe Brentolie werkte zich vorige vrijdag door de $90-grens. Vanmorgen gaat de symbolische barrière van $100 eraan. De kaap van $120, het hoogste sinds de nadagen van de Russische inval in Oekraïne, bleef maar nipt buiten schot. Gerelateerde producten zoals aardgas trekken vanmorgen nog maar eens 15% hoger (Nederlandse TTF).
De scherpe prijsopstoot doet vermoeden dat de markt zich voorbereidt op een langdurig conflict, op zijn minst langer dan de Trump-administratie voor ogen had. Vorige week vroeg de Amerikaanse president om niets minder dan de onvoorwaardelijke overgave van Iran. De benoeming van de zoon van de gedode Ali Khamenei als nieuwe opperste leider wijst erop dat Iran dat niet meteen van plan is. Mojtaba Khamenei staat te boek als een hardliner. Met Iraanse aanvallen op Amerikaanse infrastructuur in rondom gelegen landen is er een permanente dreiging van regionale escalatie. Ondertussen overweegt de Amerikaanse regering “boots on the ground” om de Iraanse voorraad verrijkt uranium op te sporen en in beslag te nemen. Het roept herinneringen op aan het jaren (en niet weken) aanslepende conflict in Irak of Afghanistan.
De enorme onzekerheid weegt op alles met een vleugje risico. Dat geldt zeker voor het Europese continent, dat voor energie na de Russische invasie veel meer teert op het Midden Oosten. De EuroStoxx50 gaat vanmorgen opnieuw 2-3% onderuit. Jaarwinst van 7% slaat om in verlies. Het steunniveau rond 5570, de piek van vóór Trump’s Liberation Day, staat onder druk. De VS is in principe zelfvoorzienend op vlak van energie maar dat verhindert geen dieprode beursfutures.
Een week later is ook meer dan duidelijk dat overheidsobligaties geen rol als veilige haven spelen. De inflatoire risico’s verbonden aan de energieprijsstijging wegen zwaarder door dan de economische en temperen de aantrekkelijkheid. In het pre-pandemisch tijdperk van structureel te lage (<2%) inflatie lag die klemtoon nog helemaal anders. Het is onmogelijk te voorspellen waar het eventuele kantelpunt voor de markt ligt - Brent $140, $150 of nog hoger? - maar tot nader bericht gaan we uit van verhoogde langetermijnrentes, gestuwd door oplopende inflatieverwachtingen. Korte(re) looptijden krijgen een boost door drastisch wijzigende verwachtingen rond monetair beleid. Het Verenigd Koninkrijk geldt als typevoorbeeld. Van twee renteverlagingen eind februari ging het in sneltempo naar één en géén. Ondertussen tekenen zich zelfs de contouren van een renteverhoging af. Britse kortetermijn rentes kiezen vandaag voor de vlucht vooruit. De tweejaarsrente schrijft 22 bpn bij, tot het hoogste niveau sinds midden vorig jaar. De Europese variant klimt met 8 bpn naar een anderhalf jarige top, gesteund door een geanticipeerde renteverhoging in juli. Als de ECB een voorbeeld wil stellen, doet ze dat beter vroeger dan later. In de VS was de beperkte rentedaling volgend op het teleurstellende arbeidsmarktrapport vorige vrijdag geen lang leven beschoren. Op enkele dagen tijd herstelde de tweejaarsrente zich van de onder- tot aan de bovenkant van het zijwaarts kanaal.
Op de wisselmarkt werkt de greenback zich weer in de gratie van de investeerders. De Amerikaanse munt wint terrein tegen de meeste belangrijke collega’s. EUR/USD was vanmorgen even op weg naar 1.15, de handelsgewogen DXY zette een nieuwe jaartop neer. Geruchten over een mogelijke G7-gecoördineerde vrijgave van strategische olievoorraden duwden zowel olie als de dollar van de voorlopige dagtoppen. In de huidige omstandigheden speelt de dollar echter met de beste kaarten. De correctie lager in EUR/USD heeft vanuit technisch oogpunt in eerste instantie nog ruimte tot 1.1392.
Brent verbrijzelt de symbolische kaap van $100.