Centraal- en Oost-Europa

Er liep iets mis. De pagina is tijdelijk onbeschikbaar.

Centraal- en Oost-Europa

Meest recente Economisch Vooruitzichten voor Centraal- en Oost-Europa

Bulgarije: integratie in de eurozone en begrotingskader 2026

Bulgarije maakte onlangs zijn eerste inflatieraming als lid van de eurozone bekend, waardoor een eerste indruk wordt verkregen van de prijsdynamiek na de invoering van de euro. Hoewel werd gevreesd dat de invoering van de euro tot een scherpe prijsstijging zou leiden, wijzen de gegevens eerder op een matigende ontwikkeling. De CPI-inflatie bedroeg in januari 3,6%, een daling ten opzichte van 5,0% in december. De HICP-inflatie zakte nog lager, tot 2,3 %, komende van 3,5 % in december.

De maand-op-maand inflatie kwam uit op 0,7%, aangedreven door de prijsontwikkeling in specifieke subsectoren eerder dan door een bredere prijsaanpassing die met de invoering van de euro zou verband houden. De categorieën met de sterkste prijsstijgingen tegenover de vorige maand zijn ’Persoonlijke verzorging, sociale bescherming en diverse goederen en diensten’, ’Verzekeringen en financiële diensten’ en ’Restaurant- en hoteldiensten’.

Parallel aan de invoering van de euro stelde het Bulgaarse parlement een streng begrotingskader voor 2026 voor, dat een evenwicht tracht te vinden tussen ambitieuze sociale uitgaven en de begrotingsbeperkingen die aan een lid van de eurozone worden opgelegd. De begroting voor 2026, die eind januari in eerste lezing is aangenomen, voorziet in een tekort van 3,0% van het bbp en een gematigde economische groei van zo’n 2,7%. De overheidsuitgaven worden geraamd op 46% van het bbp, wat een toename met 12 procentpunten ten opzichte van 2025 zou impliceren.

Het belang van de invoering van de euro in Bulgarije reikt verder dan de directe technische aspecten van de muntwissel. Aangezien het rentebeleid van Bulgarije nu wordt bepaald door de ECB en het ’vleugje’ valutarisico, dat zelfs onder het vorige ‘currency board’-stelsel nog bestond, is verdwenen, mag worden verwacht dat de premies voor het soevereine risico zullen dalen.

Tsjechië: economische veerkracht en monetair geduld

De reële bbp-groei van Tsjechië zal in 2025 naar raming 2,5% hebben bedragen. Voor dit en volgend jaar voorspellen we een lichte vertraging van de groei, tot respectievelijk 2,3% en 2,2%. De groei, die tot nu toe bijna uitsluitend door de binnenlandse vraag werd aangedreven, zien we extra ondersteund worden door investeringen in vaste activa. We verwachten dat die zowel in 2026 als in 2027 met minstens 3% zullen toenemen. De aanhoudende solide consumentenbestedingen worden gestimuleerd door de aangehouden reële loongroei en een geleidelijke daling van de hoge spaarquote van de huishoudens.

De CNB besloot in februari om het tweewekelijkse repotarief ongewijzigd te laten op 3,50%. De zesde opeenvolgende pauze in de versoepelingscyclus weerspiegelt de bezorgdheid van de raad van bestuur dat een snelle verlaging van de rentevoeten, in combinatie met een gematigd expansief begrotingsbeleid, de stijging van de diensten- en vastgoedprijzen opnieuw zou kunnen aanwakkeren.

De gemiddelde nationale CPI-inflatie bedroeg in 2025 2,5%. De CNB is van mening dat de huidige beleidsrente van 3,5% slechts licht boven het neutrale niveau ligt. Zowel in de nieuwe prognose van de CNB als in de opmerkingen van de gouverneur werd de daling van de inflatie dit jaar (+1,6% op jaarbasis in januari) duidelijk gezien als een eenmalig fenomeen dat vooral was toe te schrijven aan goedkopere energie. De verdere ontwikkeling van de loondynamiek en de inflatie in de dienstensector zullen bepalend zijn voor de ontwikkeling van de rente. De meest recente cijfers wijzen nog altijd op een toegenomen dynamiek op beide vlakken.

Hongarije: gerichte groei door budgettaire expansie en voorzichtigheid inzake hoge rente

Na een stagnatie in 2025, met een reële bbp-groei van naar raming slechts 0,3%, verwacht de Hongaarse overheid voor 2026 een groeiherstel tot 4,1%. De cijfers van eind 2025 en begin 2026 geven evenwel een complex beeld. Op basis daarvan voorspellen wij dat de bbp-groei dit jaar slechts 1,9% en in 2027 3,0% zal bedragen.

Uit in januari gepubliceerde cijfers over de buitenlandse handel bleek dat het handelsoverschot van Hongarije in 2025 met 8% is gekrompen tegenover een jaar eerder. Deze krimp werd veroorzaakt door een iets sterkere groei van de invoer (6,5%) dan die van de uitvoer (6,0%), wat een weerspiegeling is van het herstel van de binnenlandse consumptie tegen de achtergrond van een zwakke Europese industriële conjunctuur.

De economische sentimentsindicator verslechterde in januari 2026 en daalde van 100,0 in december naar 95,1, met een bijzonder scherpe daling in de industriële sector en de dienstensector.

De CPI-inflatie daalde in december 2025 tot 3,3 %, wat in lijn lag met de verwachtingen, maar de kerninflatie bleef op 3,8%, dicht bij de waarden van afgelopen zomer. Met name de inflatie in de dienstensector steeg tot 6,8%, wat erop wijst dat het desinflatieproces op weerstand stuit. Wij verwachten dat de gemiddelde HICP-inflatie dit jaar 3,3% zal bedragen en in 2027 3,5%, wat in beide gevallen een verbetering betekent ten opzichte van de 4,4% die voor 2025 werd gerapporteerd.

De Hongaarse centrale bank heeft in januari besloten de basisrente op 6,50% te handhaven. Het commentaar van de MNB had een ’hawkishe’ toon. De centrale bank merkte op dat de algemene inflatie weliswaar kortstondig binnen de tolerantiemarge is gedaald, maar dat de onderliggende inflatie-indicatoren zijn versneld. De MNB blijft een voorzichtige houding aannemen met betrekking tot de verhoging van het minimumloon en andere maatregelen van de regering om de inkomsten te verhogen. Die zouden de hoge inflatie in de dienstensector immers in stand kunnen houden. Wij verwachten dat de centrale bank haar basisrente in 2026 met in totaal 50 basispunten zal verlagen, te beginnen in het derde kwartaal. De forint steeg na de vergadering van de MNB en testte het niveau van 380 ten opzichte van de euro, wat volgens de MNB helpt om de inflatieverwachtingen te verankeren.

De Hongaarse begroting voor 2026 werd door de regering omschreven als "het grootste belastingverlagingsprogramma van Europa" en geeft prioriteit aan huishoudens en meer specifiek gepensioneerden. Wij verwachten dat de begrotingsmaatregelen zullen leiden tot een stijging van het overheidstekort tot 5,3% van het bbp in 2026, komende van 5,0% in zowel 2025 als 2024. De Hongaarse Begrotingsraad ziet ook "materiële risico's" voor de tekortdoelstelling als gevolg van de onzekerheden over de beschikbaarheid van EU-middelen en een mogelijk lager dan voorziene economische groei.

Slowakije: begrotingsconsolidatie en industriële vertraging

Slowakije staat momenteel voor de grootste macro-economische uitdagingen in de CEE-regio. Het land probeert een omvangrijk pakket begrotingsconsolidatiemaatregelen door te voeren terwijl de industriële sector, met name de automobielindustrie, te kampen heeft met tegenwind op de wereldmarkt.

Uit de meest recente beschikbare gegevens blijkt dat de industriële productie in november 2025 met 4,5% is gedaald tegenover dezelfde maand een jaar eerder, na een daling van 3,8% in oktober. De negende krimp van 2025 werd veroorzaakt door een daling van 18,8% in de elektriciteits- en gasvoorziening en een daling van 6,7% in de productie van transportmiddelen. De verzwakking in de automobielsector – de motor van de Slowaakse economie – wordt toegeschreven aan hoge basiseffecten en de eerste gevolgen van de Amerikaanse invoertarieven, die hebben geleid tot een daling van de uitvoerbestellingen.

Ondanks de industriële terugval steeg het overschot op de handelsbalans in november met 2,7% tegenover de vorige maand. Dat was deels te danken aan een uitbreiding van de capaciteit in sommige automobielsegmenten eerder dit jaar, hoewel de vooruitzichten voor de tweede helft van 2026 pessimistisch blijven omdat de wereldwijde handelsspanningen aanhouden.

Eind januari voorspelde de IMF-missie dat de bbp-groei in Slowakije in 2026 stabiel zou blijven op iets minder dan 1,0% (wat overeenkomt met onze prognose). Het IMF beoordeelde het consolidatiepakket van de regering voor 2026 als "over het algemeen passend", maar waarschuwde dat het werd gedreven door "last-minute politieke compromissen". Onze voorspelling voor het overheidstekort is ongewijzigd gebleven: -5,0% van het bbp dit jaar en -5,5% in 2027.

We hebben onze prognose voor de gemiddelde HICP-inflatie in 2026 licht neerwaarts aangepast (van 4,2 % naar 3,9 %) en het cijfer voor volgend jaar licht verhoogd als gevolg van de afschaffing van de energieprijssubsidies en een btw-verhoging.

De situatie op de Slowaakse arbeidsmarkt zal naar verwachting stabiel blijven, met een geharmoniseerd werkloosheidsgraad die tot eind 2028 tussen 5,5% en 5,9% zal schommelen. De reële loongroei zal in 2026 evenwel allicht negatief zijn, wat de particuliere consumptie verder zal drukken.

Kader 1 – De overeenkomst tussen de EU en India biedt kansen voor COE, maar er blijft nog veel werk

Op 27 januari 2026 maakten de EU en India in New Delhi hun vrijhandelsovereenkomst bekend. Met het akkoord wordt een van de grootste vrijhandelszones ter wereld gecreëerd, die bijna twee miljard consumenten en ongeveer 20% van het mondiale bbp betreft. De overeenkomst voorziet in een uitgebreide tariefliberalisering: de EU zal de tarieven op 90% van de tarieflijnen (91% van de handelswaarde) afschaffen en India op 86% (93% van de handel). Met inbegrip van partiële liberalisering stijgt het dekkingspercentage van de overeenkomst naar 99,3% voor de EU en 96,6% voor India.

De belangrijkste toegevingen van India hebben betrekking op industriële goederen, waarvoor het invoertarief momenteel gemiddeld meer dan 16% bedraagt. De tarieven op chemische producten (tot 22%) zullen grotendeels onmiddellijk worden afgeschaft; die op cosmetica zullen in vijf tot zeven jaar worden geliberaliseerd; kunststoffen zullen bij de inwerkingtreding gedeeltelijk worden geliberaliseerd en binnen zeven jaar volledig; en voor auto-onderdelen is dat in vijf tot tien jaar. De meeste tarieven op textiel, kleding, keramiek en boten zullen onmiddellijk worden afgeschaft, terwijl machines in twee fasen over een periode van maximaal tien jaar zullen worden geliberaliseerd.

In de voedingssector is de liberalisering selectiever. De tarieven op olijfolie (tot 45%) worden onmiddellijk of na vijf jaar afgeschaft. De invoerrechten van maximaal 55% op alcoholvrij bier en bepaalde vruchtensappen worden na vijf jaar afgeschaft. Verwerkte levensmiddelen waarop een tarief van 33% van toepassing is, zoals zoetwaren, pasta, chocolade en dierenvoeding, zullen onmiddellijk of geleidelijk worden vrijgesteld. De tarieven op schapenvlees (33%) worden geleidelijk afgeschaft. De hoge tarieven op alcoholische dranken – in sommige gevallen 150% – worden verlaagd tot 30% voor wijn, 40% voor gedistilleerde dranken en 50% voor bier. De EU-uitvoer van fruit krijgt betere toegang via tariefcontingenten.

We modelleren de directe en indirecte effecten van de aangekondigde maatregelen op de economische activiteit in COE. Er wordt rekening gehouden met de gefaseerde implementatie en we maken aannames over de vraagrespons op de daaruit voortvloeiende prijsdalingen. Het model omvat multiplicatoreffecten via internationale productieketens met behulp van input-outputtabellen, en voegt daar een inkomensmultiplicator aan toe.

In figuur COE1 wordt het effect van tariefverlagingen op specifieke sectoren in COE-landen weergegeven, gemeten als de procentuele stijging van de toegevoegde waarde. De machinesector zou het meest profiteren, met meer dan 0,4%. Dat is niet verrassend, aangezien machines en elektrische apparatuur de grootste uitvoersector naar India vormen. Andere COE-sectoren zouden ook profiteren, waaronder elektronica, basismetalen, kunststoffen en chemicaliën. De sector inzake motorvoertuigen zal niet zo veel profiteren van de overeenkomst, ook al is de tariefverlaging in deze sector het grootst, namelijk van 110% naar 10% door middel van gefaseerde verlagingen. Er moet rekening worden houden met het feit dat het erg moeilijk is om toegang te krijgen tot de Indiase automarkt, waar meer dan 90% van het marktaandeel in handen is van Aziatische fabrikanten.

Figuur COE2 toont de economische voordelen van de vrijhandelsovereenkomst voor de EU-landen. Voor de economieën van Centraal- en Oost-Europa, met name Tsjechië, Polen, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, zijn de inkomsten uit de overeenkomst in termen van toegevoegde waarde relatief bescheiden. Tsjechië en Hongarije bevinden zich in het bovenste middensegment van de verdeling, wat een weerspiegeling is van hun relatief grote blootstelling aan India via machines, auto-onderdelen, elektrische apparatuur en industriële tussenproducten – sectoren waar de Indiase tarieven geleidelijk maar aanzienlijk worden verlaagd. Tsjechië profiteert ook van nauwe handelsbanden met Duitsland. De lagere voordelen voor Slowakije, Bulgarije en Polen kunnen een weerspiegeling zijn van hun relatief lage uitvoeraandeel in vergelijking met andere EU-landen.

Op basis van de bestaande handelsstructuren lijken de voordelen vrij beperkt. De Indiase markt is gefragmenteerd en moeilijk te penetreren, en de COE-landen hebben minder gevestigde handelsbetrekkingen met India dan sommige andere Europese economieën. India biedt ook meer toegang tot goedkope arbeidskrachten, wat het concurrentievoordeel van de COE-regio binnen Europa gedeeltelijk kan verminderen. Het zal daarom van essentieel belang zijn dat de COE-landen investeren in modernisering, onderwijs en geavanceerde technologieën. Niettemin zijn er kansen voor productie met een hogere toegevoegde waarde, waaronder machinebouw, auto-onderdelen en de defensie-industrie. De intentie om nauwer samen te werken was al duidelijk. Zelfs vóór de overeenkomst hadden veel COE-landen strategische partnerschappen met India gesloten.

Economische voorspellingen februari 2026

Tsjechië

 202520262027
Reëel bbp (gemiddelde jaarwijziging, in %)2,52,32,2
Inflatie (gemiddelde jaarwijziging, geharmoniseerde CPI, in %)2,31,62,3
Werkloosheidsgraad (Eurostat definitie, in % van beroepsbevolking, einde jaar)3,13,23,0
Begrotingsaldo overheid (in % van bbp)-1,7-2,9-2,6
Bruto overheidsschuld (in % van bbp)43,945,447,2
Saldo lopende rekening (in % van bbp)1,00,70,7
Woningprijzen (Eurostat definitie, gemiddelde jaarwijziging in %, bestaande en nieuwe woningen10,47,74,5
  9/2/2026

Slowakije

 202520262027
Reëel bbp (gemiddelde jaarwijziging, in %)0,80,91,8
Inflatie (gemiddelde jaarwijziging, geharmoniseerde CPI, in %)4,23,93,1
Werkloosheidsgraad (Eurostat definitie, in % van beroepsbevolking, einde jaar)5,85,95,8
Begrotingsaldo overheid (in % van bbp)-5,1-5,0-5,2
Bruto overheidsschuld (in % van bbp)61,563,563,8
Saldo lopende rekening (in % van bbp)-4,0-4,0-3,3
Woningprijzen (Eurostat definitie, gemiddelde jaarwijziging in %, bestaande en nieuwe woningen12,56,55,0
  9/2/2026

Hongarije

 202520262027
Reëel bbp (gemiddelde jaarwijziging, in %)0,31,93,0
Inflatie (gemiddelde jaarwijziging, geharmoniseerde CPI, in %)4,43,33,5
Werkloosheidsgraad (Eurostat definitie, in % van beroepsbevolking, einde jaar)4,54,13,7
Begrotingsaldo overheid (in % van bbp)-5,0-5,3-4,0
Bruto overheidsschuld (in % van bbp)74,574,874,3
Saldo lopende rekening (in % van bbp)1,31,01,0
Woningprijzen (Eurostat definitie, gemiddelde jaarwijziging in %, bestaande en nieuwe woningen19,59,05,0
  9/2/2026

Bulgarije

 202520262027
Reëel bbp (gemiddelde jaarwijziging, in %)3,12,72,8
Inflatie (gemiddelde jaarwijziging, geharmoniseerde CPI, in %)3,53,42,6
Werkloosheidsgraad (Eurostat definitie, in % van beroepsbevolking, einde jaar)3,33,73,6
Begrotingsaldo overheid (in % van bbp)-3,0-3,0-3,0
Bruto overheidsschuld (in % van bbp)27,831,334,2
Saldo lopende rekening (in % van bbp)-3,3-3,1-2,5
Woningprijzen (Eurostat definitie, gemiddelde jaarwijziging in %, bestaande en nieuwe woningen15,49,06,5
  9/2/2026

Andere voorspellingen en updates

Wereld

België