Meest recente Economisch Vooruitzichten voor Centraal- en Oost-Europa
Polen: Sterke groei ondanks constitutionele kwetsbaarheid
De Poolse economie hield een solide groeitraject aan, ondersteund door een versnelde absorptie van NextGeneration EU-middelen (NGEU). De bbp-groei bedroeg eind 2025 4,0% op jaarbasis en kwam voor het hele jaar uit op 3,7%. De groei werd voornamelijk gedreven door de binnenlandse vraag, met sterke bijdragen van zowel de particuliere als de overheidsconsumptie. De dynamiek van de buitenlandse handel is evenwel minder gunstig geworden voor de groei. De netto-uitvoer drukte licht op de bbp-groei, deels als gevolg van de levering van dure militaire goederen (zie figuur COE1). Het groeimomentum zwakte af bij het begin van 2026, waarbij het bbp in het eerste kwartaal met 0,5% op kwartaalbasis steeg, in lijn met onze nowcast. Ondanks deze zwakkere kwartaalprestatie blijven de onderliggende groeivooruitzichten sterk. Voor 2026 verwachten we een reële bbp-groei van 3,1%.
De Poolse inflatie blijft zorgwekkend voor de Nationale Bank van Polen (NBP). De jaarlijkse CPI-inflatie steeg in april 2026 tot 3,2%, komende van 3,0% in maart en bereikte daarmee het hoogste niveau in tien maanden. De stijging werd grotendeels veroorzaakt door hogere energie- en brandstofprijzen, waarbij de prijzen voor elektriciteit, gas en andere brandstoffen met 4,7% en brandstof- en transportgerelateerde kosten met 8,4% stegen. De kerninflatie is teruggekeerd binnen de centrale doelbandbreedte. De diensteninflatie blijft wel hardnekkig, ondersteund door een nominale loongroei in de sector van ongeveer 7% op jaarbasis.
De NBP hield de referentierente in mei ongewijzigd op 3,75%. NBP-gouverneur Adam Glapiński benadrukte dat, hoewel de wereldwijde vraag afneemt en de zloty stabiel blijft, de onzekerheid inzake de geopolitieke ontwikkelingen en de budgettaire expansie een voorzichtige, op data gebaseerde aanpak vereist.
Hongarije: de historische verschuiving naar Europese integratie
De Hongaarse economie begon 2026 positief door in het eerste kwartaal met 0,8% op kwartaalbasis te groeien, ofwel 1,7% op jaarbasis. De groei werd ondersteund door sterke detailhandelsverkopen in maart en een sterkere industriële productie, wat erop wijst dat de stagnatie die in de periode 2023–2025 werd waargenomen, mogelijk ten einde loopt. De inflatie steeg licht van 1,8 % in maart naar 2,1 % in april, waarbij de voedingsprijzen minder deflatoir waren en ruim binnen de doelbandbreedte van de centrale bank bleven. Voorlopig blijven de winstplafonds van kracht, maar die zullen op middellange termijn slechts geleidelijk worden afgeschaft om inflatiepieken te voorkomen. Voor 2026 verwachten we een gemiddelde HICP-inflatie van 3,3%, die in 2027 zal stijgen tot 3,7%.
De financiële markten reageerden optimistisch op de verkiezingsoverwinning van Péter Magyar. De forint steeg aanzienlijk in waarde, terwijl de risicopremies op Hongaarse overheidsobligaties daalden, doordat beleggers rekening hielden met de verwachte vrijgave van EU-middelen. In april liet de Magyar Nemzeti Bank (MNB) de basisrente ongewijzigd op 6,25% en handhaafde zij daarmee een op stabiliteit gericht beleid om de inflatieverwachtingen tijdens de overgangsperiode te verankeren.
De nieuwe regering van Hongarije stelt een beleidsagenda op die draait om herintegratie in de EU, structurele hervormingen en meer transparantie in het beleid. Magyar heeft prioriteit gegeven aan het vrijmaken van meer dan 17 miljard euro aan opgeschorte EU-middelen, waaronder 10,4 miljard euro in het kader van de Veerkracht- en Herstelfaciliteit (RRF). Voor de uitbetaling is een toezegging vereist inzake het doorvoeren van hervormingen op het vlak van de rechtsstaat en het justitiële stelsel. Het door de verslagen regering-Orbán ingediende SAFE-defensieplan van 16 miljard euro wordt momenteel opnieuw beoordeeld vanwege corruptierisico's. De regering heeft ook te kennen te gegeven de euro tegen 2030 te willen invoeren, een stap die door tweederde van de bevolking wordt gesteund (zie figuur COE2). Dit impliceert een aanzienlijke begrotingsinspanning om aan de Maastricht-criteria te voldoen.
Tsjechië: begrotingsomslag en sterkere inflatie
De Tsjechische economie zet haar bescheiden herstel voort, met een zwakke groei in het eerste kwartaal van 2026 van minder dan 0,2% op kwartaalbasis. De CPI-inflatie steeg in april 2026 tot 2,5% op jaarbasis, komende van 1,9% in maart. Dit hoogste niveau in zes maanden werd voornamelijk veroorzaakt door een opveren van de energieprijzen (+1,5% tegenover -1,7% in maart) en aanhoudende groei in de dienstensector (4,8%), waar de arbeidskosten de belangrijkste drijvende kracht blijven, terwijl de voedingsprijzen blijven dalen. De kerninflatie blijft hoog op ongeveer 2,9%, wat een weerspiegeling is van aanhoudende kostendruk op de woningmarkt en een nominale loongroei van ongeveer 7%. Gezien de recente versterking van pro-inflatoire factoren hebben we onze gemiddelde HICP-inflatieprognose verhoogd naar 2,3% in 2026 en 3,2% in 2027. De Tsjechische centrale bank liet haar beleidsrente tot en met mei 2026 ongewijzigd op 3,5% en handhaaft daarmee een voorzichtige houding in reactie op de aanhoudende inflatoire druk.
Slowakije: begrotingsconsolidatie en democratische wrijving
In Slowakije wordt het macro-economische klimaat in 2026 gekenmerkt door een noodzakelijke begrotingsconsolidatie. Het land zal dit jaar naar verwachting een lage economische groei van 0,6% laten zien (zie figuur COE3). In het eerste kwartaal van 2026 groeide de Slowaakse economie met slechts 0,17% op kwartaalbasis, wat neerkomt op een groei van 0,9% op jaarbasis.
De HICP-inflatie steeg in april tot 4,1%, hoewel de stijging van de voedselprijzen verder afnam tot 0,98%. De inflatie voor huisvesting en nutsvoorzieningen versnelde echter tot 9,3%, omdat de prijzen voor stadsverwarming en thermische energie weer op marktniveau kwamen.
De arbeidsmarkt staat voor demografische uitdagingen, aangezien de vergrijzing en aanhoudende tekorten aan arbeidskrachten de potentiële groei beperken. Toch verwachten we dat de werkloosheid in 2026 zal stijgen tot 5,9%. Slowakije blijft sterk afhankelijk van de automobielsector, waardoor het land kwetsbaar is voor onzekerheden in de wereldhandel. Dreigementen van Donald Trump om opnieuw 25% invoerheffingen op EU-auto’s in te stellen, zouden onevenredig grote gevolgen hebben voor Slowakije.
De politieke koers van Slowakije onder Robert Fico is sinds midden april 2026 aanzienlijk verschoven, waarbij een reeks omstreden hervormingen aanleiding gaf tot waarschuwingen van het Europees Parlement dat EU-middelen in gevaar zouden kunnen komen. Onze groeiprognose voor 2027 van 1,2% hangt sterk af van de start van de nieuwe Volvo-fabriek en de efficiënte besteding van RRF-middelen vóór de deadline van augustus 2026. Het begrotingsbeleid evolueert in de richting van consolidatie, waarbij de begroting voor 2026 mikt op een tekort van 4,1% van het bbp, dit door middel van maatregelen zoals een loonstop in de publieke sector, hogere accijnzen en een vermindering van het aantal feestdagen.
Bulgarije: Integratie in de eurozone te midden van energieperikelen
In april 2026 steeg de CPI-inflatie in Bulgarije fors naar 6,8%, komende van 4,1% in maart. Deze stijging, de hoogste sinds 2023, werd bijna volledig veroorzaakt door een stijging van 18,5% in de transportkosten en een stijging van 5,3% in de voedingsprijzen, wat de weerspiegeling is van verstoringen in de wereldwijde olie- en gasvoorziening (zie figuur COE4). We verwachten een gemiddelde HICP-inflatie van 4,1% in 2026. Ondanks deze cijfers houden de Bulgaarse Nationale Bank (BNB) en de ECB vol dat de invoering van de euro op zich maar een beperkte impact heeft gehad op de consumentenprijzen, waarbij de effecten van de overgang zich voornamelijk in de dienstensector hebben voorgedaan. Niettemin heeft de nieuwe Bulgaarse regering wijzigingen in de wet op de consumentenbescherming voorgesteld die grote detailhandelaren zouden verplichten prijsstijgingen te rechtvaardigen op basis van kostenontwikkelingen, als onderdeel van bredere monitoringinspanningen tijdens de overgangsperiode.
De reële bbp-groei blijft robuust en wordt voor 2026 geraamd op 2,6%. De investeringsdynamiek is versneld, ondersteund door de besteding van RRF-middelen en het verbeterde ondernemersvertrouwen na de invoering van de euro. De netto-uitvoer zal naar verwachting evenwel een negatieve groeibijdrage leveren, waarbij de stijgende energierekening de handelsbalans verslechtert.
Het politieke landschap van Bulgarije heeft een beslissende verschuiving ondergaan na de parlementsverkiezingen van 19 april 2026. Die leverden een verpletterende overwinning op voor de partij Progressief Bulgarije van Rumen Radev met 131 van de 240 zetels, waarmee een einde kwam aan de langdurige periode van versnippering die het beleid sinds 2021 had gekenmerkt. De nieuwe regering heeft snel actie ondernomen om de externe energieschok aan te pakken en kondigde een steunpakket van 100 miljoen euro aan, inclusief een gerichte maandelijkse steun van 20 euro voor kwetsbare huishoudens en liquiditeitssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Kader 1 – Politieke instabiliteit vormt bedreiging voor noodzakelijke hervormingen in Roemenië
De Roemeense vierpartijencoalitie, bestaande uit de Sociaal-Democratische Partij PSD, de centrumrechtse PNL, de liberale USR en de partij van de etnisch-Hongaarse minderheid UDMR, werd in juni 2025 gevormd om de opkomst van de extreemrechtse Alliantie voor de Unie van Roemenen (AUR), onder leiding van George Simion, in te dammen en de kwetsbare economie van het land weer te stabiliseren. De opdracht van de regering was duidelijk, maar niet eenvoudig: belastingen verhogen, bezuinigen doorvoeren en de investment-grade kredietrating van Roemenië behouden, alsook het vrijmaken van 11 miljard euro aan EU-herstelfondsen.
Premier Ilie Bolojan (PNL) slaagde erin om het begrotingstekort terug te dringen tot 7,9% van het bbp in 2025 (zie figuur COE5). Dat ging wel gepaard met een hoge politieke prijs. De PSD, de grootste partij in de coalitie en van oudsher de dominante kracht in de Roemeense politiek, stond mee aan het roer van erg onpopulaire bezuinigingsmaatregelen en kwam tot de conclusie dat de politieke kost van aanblijven te zwaar woog.
Op 23 april traden vicepremier Marian Neacșu en zes ministers, allen afkomstig uit de PSD, af uit de Roemeense regering. Hiermee viel de ’grote coalitie’, die amper tien maanden eerder was gevormd, feitelijk uiteen. De PSD sloeg de handen ineen met AUR om een motie van wantrouwen in te dienen in het parlement. De motie werd op 5 mei aangenomen met 281 stemmen vóór en slechts vier tegen, een historisch grote marge. De overgebleven coalitiepartners van Bolojan, PNL, USR en UDMR, waren in het parlement aanwezig, maar onthielden zich van stemming om niet tegen hun eigen premier te moeten stemmen. De Roemeense munteenheid, de leu, bereikte een historisch dieptepunt ten opzichte van de euro.
De alliantie tussen PSD en AUR is minder tegenstrijdig dan ze op het eerste gezicht lijkt. Beide partijen staan, om verschillende redenen, afwijzend tegenover het tempo en de aard van de begrotingsconsolidatie. AUR bestempelt deze als “door de EU opgelegde technocratische wreedheid”, terwijl PSD haar afschildert als “ideologisch misplaatst liberalisme”. Uit recente opiniepeilingen blijkt dat beide partijen samen een parlementaire meerderheid zouden kunnen behalen (zie figuur COE6), al hebben ze beide wel verklaard dat ze geen langdurige samenwerking nastreven.
De politieke instabiliteit in Roemenië heeft gevolgen die verder reiken dan de binnenlandse politiek, meer bepaald voor het vermogen van het land om EU-programma’s uit te voeren. Roemenië heeft stappen gezet om toegang te krijgen tot ongeveer 16,7 miljard euro in het kader van het SAFE-financieringsmechanisme voor defensie. Het parlement keurde op 29 april 8,3 miljard euro aan defensiecontracten goed en op 5 mei gaf de aftredende regering toestemming voor de ondertekening van de leningsovereenkomst met de Europese Commissie. De SAFE-financiering wordt evenwel in tranches uitbetaald, afhankelijk van het behalen van investeringsmijlpalen, en het programma loopt tot 2030. Nu de regering in lopende zaken opereert en verschillende ministeries politiek zijn verzwakt, is het belangrijkste risico verschoven van toegang tot EU-middelen naar de uitvoering. Het risico is nog groter voor middelen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (RRF), waar uitbetalingen rechtstreeks zijn gekoppeld aan de voltooiing van structurele hervormingen Dat roept zorgen op dat de aanhoudende politieke versnippering toekomstige betalingen zou kunnen vertragen of in gevaar brengen. Niettemin gaf de Europese Commissie onlangs een positieve voorlopige beoordeling over het vierde betalingsverzoek van Roemenië in het kader van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit, waardoor er zicht is op de vrijgave van 2,62 miljard euro.
President Nicușor Dan, de centristische voormalige burgemeester van Boekarest die in 2025 werd verkozen, overweegt vier scenario’s: een minderheidsregering onder leiding van de PNL en de USR, een minderheidsregering onder leiding van de PSD, een regering met een technocraat als premier, of een volledig technocratisch kabinet. Dan heeft vervroegde verkiezingen uitdrukkelijk van de hand gewezen en heeft in mei formeel overleg gevoerd met de parlementaire partijen. Hij beloofde binnen een ’redelijke’ termijn een nieuwe regering te vormen. De vraag is of de nieuwe regering, in welke vorm dan ook, de legitimiteit, de meerderheid en bovenal de politieke wil zal hebben om de broodnodige hervormingen door te voeren. Extreemrechtse en eurosceptische partijen zijn in opkomst en profiteren van de wijdverbreide ontgoocheling over het heersende establishment. AUR alleen al haalt in de huidige peilingen ongeveer 36%.