De rentree van openbare financiën
Op kousenvoeten en onder de radar. De belangrijkste Japanse referentierente, op 10 jaar, trok sinds eind juni opnieuw noordwaarts. Deze week bracht het deze meest verhandelde looptijd naar een kersverse dertigjarige top. De 20-jarige variant heeft hetzelfde voor. De looptijd op 30 jaar kreeg vanmorgen respijt dankzij een vlotte veiling, al bleef er van de initiële renteterugval nog bitter weinig over op sluitingstijd.
De Japanse renterit hoger heeft meerdere oorzaken. De te trage beleidsnormalisatie van de Bank of Japan in een context van structureel hogere en door de zwakke Japanse munt aangewakkerde inflatie is er allicht één van. Maar we zien er minstens even veel de hand van Takaichi in. De premier voert een Abenomics-geïnspireerd beleid: een combinatie van soepel fiscaal en bij voorkeur monetair beleid. De context anno 2026 leent zich daar evenwel niet meer toe. Een massief investeringspakket t.w.v. $2300 miljard bond de kat de bel aan. De regering heeft het over een publiek-private samenwerking. Alleen spreekt het zich nergens uit over de verdeelsleutel. De ambitie – Japan tegen 2040 op de kaart zetten in kritieke sectoren – is nobel maar de markt heeft vooral oog voor de fiscale risico’s.
Het conflict in het Midden-Oosten duwde openbare financiën als relevant thema voor de markt naar de achtergrond. Nu maakt het zijn rentree, en niet alleen in Japan. De zomer is voor veel Europese landen het startpunt van de onderhandelingen voor de begroting van volgend jaar. Een nagelnieuw rapport van het European Stability Mechanism dat gisteren het licht zag, schetste de uitdagende context. Het ESM waarschuwt voor de uiterst gestretchte begrotingen en geopolitieke spanningen die frequenter voor (energie)schokken zorgen. Daarnaast ziet het een wispelturige obligatiemarkt die verder moet zonder de rustige vastheid van kopers zoals de ECB en zijn er niet geringe risico’s op een scherpe herpositionering op de Amerikaanse markten die ook sporen zal nalaten op de Europese.
Een ontwerpbegroting moet midden oktober op het bureau van de Europese Commissie landen. Het wordt eens te meer een bijzonder moeilijke oefening. Daarvoor hoeven we het niet eens ver te zoeken. De Belgische regering kreeg gisteren van het Monitoringcomité te horen dat het op zoek moet naar €7.7 miljard om tegen het einde van de legislatuur (2029) aan de Europese uitgavennorm te voldoen, veel meer dan wat het in maart berekende (€4.9 miljard). Het bedrag loopt verder op tot een kleine €10 miljard tegen 2031. De energieschok en oplopende rentelasten zijn de voornaamste boosdoeners. Het begrotingstekort bij ongewijzigd beleid klimt van +/-5% dit jaar naar 5.8% in 2029 en 6.2% in 2031. Het duwt de schuldgraad van 108% dit jaar richting 117% in 2029 en naar bijna 123% nog twee jaar later. Het is om van te duizelen. Na al twee grote begrotingsrondes in februari en november vorig jaar wordt deze zoektocht naar nieuwe middelen niets anders dan een lijdensweg. In november dreigde de Wever met zijn ontslag. Een herhaling lonkt.
Duitsland klopte ondertussen gisteren af op een ontwerp. Het bevat ruim €200 miljard aan krediet, waarvan meer dan de helft in nieuwe financiering. Het land kijkt de komende jaren uit op begrotingstekorten van 4% en meer. Schwarze Null, wat was dat nu weer? Frankrijk liet eind vorige week de eerste ballonnetjes op. De krijtlijnen van de minister van financiën – maximaal 5% - zijn niet bepaald geruststellend. Te meer omdat die doelstelling bij voorbaat (te?) ambitieus is, overschaduwd door de presidentiële verkiezingen in april.
Kredietrisicopremies van Italië (blauw), Frankrijk (rood) en België (zwart) t.o.v. swap (10 jaar): stilte voor de storm.