Zwakke yen moet niet rekenen op de BoJ
Eén van Japans grootste vakbondskoepels haalde vanmorgen een belangrijke slag thuis. De Japan Council of Metalworkers’ Union behartigt de belangen van zo’n twee miljoen arbeiders in bedrijven met ronkende namen zoals Toyota, Honda, Panasonic en Nippon Steel. Ze verzekerde haar aangeslotenen na de jaarlijkse onderhandelingen met werkgevers van een loonstijging met 5.1%. Dat is het meeste ooit sinds het bijhouden van de metingen in 2014. De grootste overkoepelende vakbondsorganisatie Rengo, zeven miljoen leden, komt volgende week met de eerste resultaten. Het openingsbod van begin maart bedroeg 5.94%. Dat ligt iets onder dat van 2025. De 6.09% van toen mondde uit in een loonstijging van 5.25%, een 34-jarig record.
Japanse lonen zitten al enkele jaren stevig in de lift met een groeiritme dat al sinds 2023 ruim boven het gemiddelde van de afgelopen 2 à 3 decennia (!) ligt. De ruimte, of het momentum zo u wil, daarvoor ontstond in de nasleep van de post-pandemische economische heropleving die inflatie nieuw leven inblies. De sterke loonstijgingen sindsdien zijn een poging van werknemers en vakbonden om koopkracht te herstellen en behouden. Dat is voorlopig met matig succes: tijdens de afgelopen vier jaar was de reële (dit is rekening houdende met de prijsevolutie) loongroei maar zelden positief.
Dat is de Bank of Japan niet ontgaan. De centrale bank is al lang op zoek naar de heilige graal: een zichzelf versterkende spiraal van loonstijgingen die consumptie en uiteindelijk inflatie zodanig aanwakkert dat ze de 2%-doelstelling verzekert. Omwille van die voorlopig nog steeds negatieve reële loongroei spreekt de BoJ enkel van “tekenen van” en niet van een “volwaardige” spiraal. Het verklaart mede de slome reactiefunctie van de centrale bank. Haar favoriete inflatiemaatstaf (ex. voeding maar inclusief energie) noteert nochtans al een hele periode op of ruim boven de 2%-doelstelling. De BoJ voorspelde in januari de eerste sub 2%-lezingen voor de eerste jaarhelft, onder meer omwille van energieprijs temperende overheidsmaatregelen. Een conflict in het Midden Oosten later en die assumptie voor de enorm energieafhankelijke archipel is volledig achterhaald.
Die recente olieprijsstijging noch het bijkomend kersvers bewijs van een loonprijsspiraal zal de Bank of Japan morgen op andere gedachten brengen. De huidige beleidsrente van 0.75% is het resultaat van slechts vier renteverhogingen goed voor een totaal van 85 bpn over een periode van bijna twee jaar. De opgaande rentecyclus is niet voorbij. We kijken uit naar de vergadering van 28 april waar bijgewerkte economische voorspellingen een volgende zet kunnen onderbouwen. Maar het mag duidelijk zijn dat de Japanse tred geen snelheidsrecords breekt. Het tegendeel is waar. Dat is meteen de reden waarom de Japanse munt niet blijvend profiteerde van een sinds 2024 verschillend rentetraject tussen de BoJ en de Fed & ECB. Inmiddels verloor de yen ook die troef nu de geldmarkten aan weerszijden van de Atlantische Oceaan het geweer drastisch van schouder veranderden. EUR/JPY noteert bijgevolg niet ver van de 185+ records van eerder dit jaar. USD/JPY verstevigde onlangs tot een nieuwe jaartop, voorbij de 158+ niveaus die eind januari geroezemoes over gecoördineerde wisselkoersinterventies uitlokten. We blijven ook minstens op korte termijn voorzichtig over de yen. De BoJ levert geen adequate rugdekking en de specifieke, energie-gerelateerde risico-averse context verhinderen JPY van een betekenisvolle rol als veilige haven. De interventiedreiging kan JPY-pessimisten in de buurt van USD/JPY 160 afschrikken, maar het verleden leert dat marktingrepen zelden een permanent effect hebben als de algemene context tegenwringt.
USD/JPY (weekgrafiek): BoJ noch risico-averse context helpen de yen vooruit