Amerikaanse CPI haalt druk van de ketel
Uit het departement: “De parabel van de zwaluw en zijn lente”
De Amerikaanse inflatiecijfers van gisteren stonden met stip genoteerd in de marktagenda. Die voor de onderliggende graadmeter (exclusief voeding en energie) waren bijkomend met rood onderlijnd. Dubbel. Fed Waller zette de reeks in de aanloop daar naartoe in de schijnwerpers. Een oncomfortabel hoog cijfer zou de Fed uit zijn kot kunnen lokken, klonk het vrij vertaald. Om maar te zeggen: de inzet was hoog en de verwachting hoog gespannen.
Het algemeen prijspeil daalde afgelopen maand met 0.4% m/m, meer dan de -0.1% verwacht. Dat bracht het jaarcijfer terug van de driejarige piek op 4.2% in mei tot 3.5% in juni. Energie deed veruit het gros van het werk. De component tuimelde 5.7% m/m dankzij een terugval in de olieprijs van ruwweg 25% vorige maand. Dat alleen al schaafde 0.5 ppt van het hoofdinflatiecijfer. De prijs aan de pomp, zowat het symbool van het conflict in het Midden-Oosten, zakte met bijna 10% (!) vergeleken met de maand mei. Maar zelfs zonder de energiesector bleef inflatie beperkt. De klassieke onderliggende maatstaf die bijkomend zuivert voor voeding stagneerde op maandbasis en temporiseerde van 2.9% j/j tot 2.6%. Zowat elke andere relevante indicator vertelt een gelijkaardig verhaal: van goederen- over diensteninflatie in ruime én enge zin tot huisvestingskosten.
De marktreactie was er eentje volgens de boekjes. Het korte eind van de rentecurve plofte met 15 basispunten in elkaar. Daar bleef in de sluiting nog zo’n 9 van over. Dat is niet weinig maar is technisch niets meer dan een correctie op een recent stevige stijging. Het lange eind bleef vlot overeind. De Amerikaanse geldmarkt dichtte het scenario van een renteverhoging in juli daags voordien nog een kans van 45% toe. Dat stuikt in elkaar tot 15% vandaag. De eerste volledig verdisconteerde stap hoger verschuift van september naar december. Dat zegt vooral veel over de markt want de werkelijke implicaties voor monetair beleid zijn beperkt. Dat vindt ook Warsh. Tijdens zijn hoorzitting voor het Congres gisteren beloofde de Fed-voorzitter (eer)herstel van de prijsstabiliteit. De centrale bank definieert dat als 2% inflatie en de Fed legt zich niet neer bij alles wat systematisch meer is. Warsh verwelkomde uiteraard de positieve ontwikkelingen maar één gunstig maandcijfer lost de belofte niet in. “Er ligt nog veel werk op de plank.”
De juni-inflatiecijfers halen wél wat druk van de ketel voor de korte termijn, en meer specifiek in de aanloop naar de Fed-beleidsvergadering van 29 juli. Warsch en de Fed bevinden zich nu zelfs in de vrij comfortabele positie waarin blaffen volstaat en bijten voorlopig niet hoeft. Dat is in deze geopolitiek onzekere tijden een luxe. De inflatiecijfers waren omwille van de recente olieprijsstijging (die zowat 80% van de juni-daling recupereerde) eigenlijk al meteen minstens deels achterhaald. De combinatie met degelijke Amerikaanse groei en een stabiele arbeidsmarkt maakt een Fed-renteverhoging vooral een kwestie van wanneer (september?) en niet of ze komt. Dat idee legt een stevige bodem onder de Amerikaanse kortetermijn rentes.
Amerikaanse tweejaarsrente corrigeert na inflatiecijfers maar opwaarts hellende wig blijft intact
Bron: Bloomberg